Opdeboerderij.jouwweb.nl
Home » konijnen

Konijnen zijn hypsodont, dat wil zeggen: dieren waarvan de tanden en kiezen een eind boven de tandvleesgrens uitsteken. Dieren waarbij dat niet het geval is, zoals mensen, worden brachydont genoemd. De relatief ver boven het tandvlees uitstekende tanden en kiezen groeien bij het konijn ook nog constant door. Deze eigenschap delen ze met veel knaagdiersoorten. De snijtanden van een gemiddeld konijn groeien wekelijks ongeveer twee millimeter. De kiezen groeien langzamer, ongeveer drie millimeter per maand.
Deze eigenschappen van het gebit maken het voor konijnen zowel mogelijk als noodzakelijk voer te eten dat tanden en kiezen doen slijten.

Ten opzichte van andere planten waarvan dieren leven, is het slijtend effect van gras vrij groot. Dit heeft twee oorzaken. In de eerste plaats groeit gras vrij dicht bij de grond. Dat heeft consequenties voor wat een dier naar binnen krijgt als het gras eet. Bij neerslag spatten zanderige bodemdeeltjes op die zich hechten aan het gras. Meer bijzonder is dat naast het aanhangende zand ook in het gras zelf slijtage veroorzakende deeltjes zitten. In de celwanden van gras zijn zandachtige minerale deeltjes ingebouwd. Dit worden fytolieten genoemd. De functie is niet helemaal duidelijk. Soms wordt versterking van de structuur genoemd, anderen speculeren dat het vooral is bedoeld om gras iets onaantrekkelijker te maken om te eten. Het gevolg is hoe dan ook dat dit bijdraagt aan gebitsslijtage bij opname. Het slijteffect van grasproducten is veel groter dan dat van bijvoorbeeld luzerne, boombladeren, groenten en allerlei commerciële voerproducten.

Grassen en kruiden

Wilde konijnen doen het in de vrije natuur prima op een vrij schraal dieet, bestaande uit voornamelijk grassen, kruiden en daarnaast soms de bast van jonge boompjes en twijgen. Het konijn verwerkt dit tamelijk ruwe materiaal met behulp van zijn hiervoor speciaal aangepaste maagdarmstelsel. Een heel bijzondere eigenschap van dit maagdarmstelsel is het vermogen om in de dikke darm de zeer slecht verteerbare plantdelen af te scheiden van de rest van de voedselmassa. Deze slecht verteerbare delen worden uitgescheiden als de welbekende konijnenkeutels. Het minder vezelige deel van het voedsel wordt in de blinde darm geleid. Deze blinde darm vormt veertig procent van de inhoud van het maagdarmstelsel. Hier worden de voedselresten verder afgebroken door bacteriën.

Deze bacteriën produceren tijdens de afbraak vluchtige vetzuren die weer dienen als energiebron voor de konijnen. Meestal eenmaal per etmaal wordt de blinde darm geleegd. Dit gebeurt vaak in de vroege ochtend. De uitwerpselen die zich dan vormen, bestaan uit onverteerde voedselresten en heel veel bacteriën. Deze zachte massa wordt door het konijn rechtstreeks uit de anus opgenomen (dit wordt caecotrofie genoemd, caecum betekent blinde darm).
Vanwege de manier van opnemen en het vaak vroege tijdstip hebben veel mensen dit nooit waargenomen. Resten van de zachte mest ziet men ten onrechte ook wel eens aan voor diarree. De voordelen van deze verteringsstrategie zijn groot. De weer opgenomen mest is rijk aan bacterieel eiwit, B-vitaminen en vitamine K, die in de tweede verteringsronde weer opgenomen kunnen worden. Met deze strategie werkt een konijn als het ware zijn voedsel op.

Kant-en-klaar
Helaas kan verkeerd gebruik van in de handel verkrijgbare konijnenvoeders nogal eens voor problemen zorgen. Natuurlijk heeft het voeren van een kant-en-klaar konijnenvoer voordelen. Het is gemakkelijk en je bent meestal zeker van constante gehalten voedingsstoffen. De nadelen kunnen echter ook groot zijn. Konijnen hebben een relatief grote maaginhoud, omdat ze van nature een volumineus dieet opnemen. Geconcentreerde voeders worden dus gauw in overmaat opgenomen, met als gevolg kans op vervetting. Er zijn natuurlijk ‘light’voeders voor konijnen beschikbaar, maar als je dat nodig hebt, zijn er toch al veel onnodige voedingsfouten gemaakt.

Een groter probleem is dat veel konijnenvoeders rijk zijn aan makkelijk verteerbare koolhydraten. Die heeft een konijn nu juist niet nodig. Een grote hoeveelheid koolhydraatrijk voedsel ineens kan er voor zorgen dat het maagzuur niet op alle plekken goed bij de voedselmassa kan komen. Hierdoor kunnen schadelijke bacteriën de maagpassage overleven en elders problemen veroorzaken.
Aangekomen in de blinde darm zorgen koolhydraten juist weer voor verzuring, omdat er heel snel vluchtige vetzuren worden gevormd. Een te zure inhoud van de blinde darm leidt weer tot darmontstekingen en diarree.
Konijnenvoer uit de winkel geeft een konijn ook vaak te weinig te doen, waardoor verveling kan ontstaan. Ook mist dergelijk voer vaak voldoende lange vezels, waardoor het gebit te weinig slijt. Bovendien geeft het voer te weinig prikkels in het darmstelsel, waardoor de passage van het voedsel te traag gaat met alle schadelijke gevolgen van dien. Konijnen die te weinig vezelig materiaal krijgen, hebben ook nog meer last van haarballen.
Kortom: net als in de natuur moet het hoofdbestanddeel van het rantsoen voor een hobbykonijn bestaan uit gras (maar geen gemaaid gazongras!) of, als dit niet beschikbaar is, uit hooi.

Een goed rantsoen

  • Lang vers gras of hooi van goede kwaliteit moet het hele etmaal beschikbaar zijn;
  • Konijnen eten ook kruiden, maar pas op met planten uit de siertuin;
  • Bladgroenten zijn een smakelijke aanvulling;
  • Lucernehooi is vaak te calciumrijk voor konijnen;
  • Volwassen konijnen eten maximaal 25 gram konijnenvoer per kilo per dag, groeiende en melkgevende dieren mogelijk wat meer;
  • Konijnenvoer moet bij voorkeur meer dan twintig procent ruwe celstof bevatten;
  • Het beetje konijnenvoer dat wordt gegeven, moet geheel op;
  • Liever geen voeders gebruiken waaruit het konijn kan selecteren, het oogt leuk maar dat kan het konijn toch niets schelen;
  • De gehele dag schoon drinkwater;
  • Voel regelmatig of het konijn niet te mager of te dik wordt. Hooi is het goedkoopste vermageringsvoer.


Vitamine D

Voeding voorziet dieren van voedingsstoffen. Er zijn een paar voedingsstoffen die op een andere manier in het dier terecht komen. Het bekendste voorbeeld is vitamine D. Deze voedingsstof speelt een belangrijke rol bij de omzetting van calcium (hoofdbestanddeel van botten, gebit en eischaal) in het lichaam. Zonder vitamine D kan calcium niet worden opgenomen en niet worden ingebouwd in weefsel, bijvoorbeeld botstructuren. Een vitamine D tekort veroorzaakt dezelfde verschijnselen als een tekort aan calcium.
Vitamine D2 en D3 zijn de vormen waarin vitamine D voorkomt. Vitamine D2 (ergocalciferol) is een bestanddeel van sommige planten. In de zon gedroogd ruwvoer bevat er relatief veel van. Vitamine D3 (cholecalciferol) is een bestanddeel van dierlijke producten, vooral vetrijke. Vogels, zoals kippen, kunnen vitamine D3 veel beter benutten dan vitamine D2. Wanneer de vitamine wordt toegevoegd aan een voer of supplement is dit altijd in de vorm van D3. Vitamine D3 is nuttig maar zeker niet onschuldig. Langdurige overmaat leidt tot gezondheidsproblemen, hoge doses zijn acuut giftig.
Het geven van vitamine D (en A) via supplementen is sowieso een slecht idee. Een doordacht dieet kan zonder. Voor vitamine D geldt dat de D3 vorm bij veel dieren (graasdieren, konijnen, kippen etc.) in de huid gevormd kan worden. Hiervoor is wel blootstelling aan zonlicht noodzakelijk. Ultraviolette straling van de zon met een bepaalde golflengte (UV-B straling) zet dehydrocholesterol in de huid om in een vorm van vitamine D3. Dit kan door het dier benut worden.
In de zomer is bij onbewolkt weer midden op de dag de UV-B straling het hoogst. Wanneer de zon laag staat is de UV-B opbrengst voor het dier aanzienlijk minder. Ook bewolking en schaduw verminderen de UV-straling. Op grote hoogte is de UV-B straling ook hoger. Lama’s en alpaca’s die uit het Andesgebergte komen, hebben zich door pigmentatie in de huid en een dichte vacht aangepast aan sterke straling. Op zeeniveau gehouden zijn ze daardoor dan wel gevoeliger voor vitamine D gebrek. Hierin verschillen ze van andere voor de hobby gehouden dieren.
Voor alle hobbydieren geldt: stuur de dieren zo snel mogelijk de zon in. Daarmee valt voor de meeste soorten weer een reden om brokken te voeren weg. Achter glas laten zitten helpt niet. Hier gaat de UV-B straling niet doorheen.

Wortelen

Konijnen zijn dol op peen. Konijnenbestrijders weten dat en daarom worden in landen waar konijnen als plaag worden bestreden wortelen gebruikt als lokaas. Wortelen zijn rijk aan suikers. Hierdoor smaken ze zoet en dat maakt ze aantrekkelijk voor het konijn.
Wortelen zouden wonderen doen voor het gezichtsvermogen. Konijnen hebben inderdaad een zeer groot blikveld en goede ogen. Dat komt echter door de bouw van het oog en de plaatsing in de kop en niet door het eten van wortelen.
Toch is er een relatie tussen wortelen en gezichtsvermogen. Wortelen bevatten veel bètacaroteen en daaraan verwante stoffen. Deze stoffen kunnen door veel diersoorten met behulp van enzymen in de darmwand omgezet worden in vitamine A (retinol). Deze vitamine is onder meer belangrijk voor de opbouw en het functioneren van het lichtgevoelig pigment in het oog.
Omdat bètacaroteen eerst omgezet moet worden in vitamine A, wordt het ook wel provitamine-A genoemd. In tegenstelling tot vitamine A is de stof niet giftig bij een overmaat. De omzetting van bètacaroteen naar vitamine A stopt wanneer de weefsels voldoende vitamine A bevatten. Een hoge bètacaroteen opname kan wel leiden tot oranjekleuring van de huid en van het lichaamsvet. Bètacaroteen is ook op zichzelf belangrijk. Bij onder meer paarden en herkauwers zijn er aanwijzingen gevonden voor een positief effect op de vruchtbaarheid. Bètacaroteen komt bovendien veel voor in andere groenten en in groene planten. Vers gras en ingekuild gras zijn zeer goede bronnen. Omdat bètacaroteen gemakkelijk wordt afgebroken onder invloed van licht en zuurstof zijn de gehalten in hooi meestal zeer laag.
Dus maar worteltjes voeren aan konijnen en andere dieren op een hooirantsoen? Het kan, maar houd het beperkt. Het hoge gehalte suikers is niet bevorderlijk voor de gezondheid van het maagdarmstelsel. Vergeleken met hooi is het product erg vezelarm. De altijd maar doorgroeiende tanden van het konijn slijten er ook niet echt van. Konijnenbrokken bevatten toegevoegd vitamine A. Een klein beetje brok in het rantsoen, naast onbeperkt goed hooi, zorgt voor een goede aanvoer. En wie toch iets wil met worteltjes: eet ze zelf op en geef, met mate, de zandvrij gemaakte toppen met het loof aan de konijnen.  

Geef geen knaagsteen

Knaagstenen zijn niet nodig. Zeker de calciumrijke zijn eigenlijk een misdrijf tegen het konijn: overbodig en potentieel schadelijk voor de gezondheid.

Denk niet dat konijnen zelf wel de juiste voedingskeuzes maken. Daar zijn wij verantwoordelijk voor. Dit is ruim tien jaar geleden overtuigend aangetoond met een serie proeven met konijnen. Deze dieren kregen gemengd voer aangeboden, waarin alles zat wat de dieren nodig hadden. Helaas bleek in elke proefronde dat de dieren erg selectief waren en alleen datgene opnamen wat ze echt lekker vonden. Dit leidde tot een voedselopname met een te hoog energiegehalte en een veel te laag calciumgehalte.

Calcium

Net als de meeste dieren urineren konijnen regelmatig. Bij konijnen is deze soms melkachtig troebel. Dat is geen aanleiding tot zorgen; dit is het gevolg van de manier waarop het konijnlichaam met calcium omgaat. 
Calcium is een belangrijke minerale voedingsstof. Het mineraal is samen met fosfor het hoofdbestanddeel in botten en tanden. De voortanden van een konijn groeien wekelijks ongeveer 2 mm dus dat vraagt aardig wat calcium.
Calcium wordt uit het voedsel opgenomen en komt via de darmwand in de bloedbaan. Van daar wordt het getransporteerd naar vooral bot en tandweefsel. Bij vrijwel alle diersoorten neemt de passage van calcium door de darmwand toe wanneer de behoefte hoger is. Een lage behoefte leidt tot weinig opname van calcium. Het niet uit het voedsel opgenomen deel komt dan terecht in de mest. Op deze manier blijft het calciumgehalte in het bloed constant. 
Bij konijnen is de opname van calcium niet afhankelijk van de behoefte. Verreweg het grootste deel van de aangeboden hoeveelheid passeert de darmwand. Bij erg calciumrijke voeding, bijvoorbeeld luzerne, sommige koolsoorten of kalkrijke knaagstenen, komt er op deze manier veel meer calcium dan benodigd in het lichaam. Dit overschot voert het konijn af als calciumcarbonaat in de urine. Omdat calciumcarbonaat niet volledig oplosbaar is wordt de urine hierdoor melkachtig troebel. Wanneer de calciumbehoefte het laagst is, dus wanneer het konijn niet groeit, drachtig is of melk geeft (konijnenmelk heeft een zeer hoog calciumgehalte), is dit het vaakst zichtbaar. 
Een tijdelijk hoog calciumgehalte in het dieet kan weinig kwaad voor het konijn. Bij zeer hoge gehalten of wanneer het calciumgehalte langdurig hoog is kan het bijdragen aan het ontstaan van blaasstenen. Om dit te voorkomen moet een konijnenrantsoen tussen de 0,6 en 1% calcium in de droge stof bevatten. Een rantsoen dat bestaat uit goede kwaliteit grashooi, aangevuld met beperkt bladgroente en dagelijks hooguit 25 gram droogvoer per kilo konijn voldoet hier vrijwel altijd aan. 
Slechte kwaliteit hooi (wanneer gaan we eens opgave van gehalten aan onze leveranciers vragen?) en gemengd voer, waarvan konijnen bij voorkeur de calciumrijke bestanddelen laten liggen, zijn risicofactoren. De urine wordt wel helder bij zulk voer, maar het zicht op een gezond konijnenbestaan raakt uiteindelijk behoorlijk vertroebeld. 

Dat gras het hoofdbestanddeel van het ranstoen moet zijn, wil niet zeggen dat konijnen zo nu en dan andere planten kunnen en willen eten.

Eetbare planten:

  • Paardebloem
  • Klaver
  • Duizendblad
  • Klein hoefblad
  • Herderstasje
  • Weegbree
  • Kool, sla en knolrapen
  • Wortelen


Giftige planten:

  • Boterbloem
  • Nachtschade
  • Heggewinde
  • Vingerhoedskruid
  • Lelietje van dalen
  • Goudenregen
  • Wolfskers


Water

Vers water is erg belangrijk. U kunt uw konijn laten drinken uit een bakje of een speciaal daarvoor gemaakte drinkfles. Allebei zijn verkrijgbaar bij de dierenspeciaalzaak.

 

 

 

 

 

Konijnen zijn groepsdieren bij uitstek. Maar konijnen zijn ook individuen die elkaar goed kunnen liggen of juist helemaal niet. En ze zijn territoriaal ingesteld: nieuwkomers zien ze als indringers.
Elk konijn moet gezelschap hebben van minstens één ander konijn. Ras en afmeting spelen daarbij geen rol: een Vlaamse reus kan de beste maatjes worden met een hangoordwergje. Het geslacht is wel belangrijk. Het makkelijkste tweetal is een koppeltje: een voedster en een (gecastreerd) mannetje. Dat zal bijna altijd goed gaan. Twee vrouwtjes samen slaagt meestal ook, zeker als het moeder en dochter zijn. Twee jonge zusjes bij elkaar, of twee jonge vrouwtjes uit verschillende nestjes, gaat ook goed. Althans, bij de koppeling. Want als ze volwassen en vruchtbaar worden, rond drie maanden oud, zullen ze de rangorde willen bepalen. Dat kan op zich geen kwaad, als ze maar genoeg ruimte hebben om elkaar te ontlopen tot het pleit beslecht is. Twee volwassen, onverwante, niet-gesteriliseerde vrouwtjes samenbrengen is een hele opgave. Het kan goed gaan, maar ook goed fout. Twee intacte mannetjes samen heeft eigenlijk geen noemenswaardige kans van slagen. Zelfs jong gecastreerde rammelaars vormen lang niet altijd een goede match.

Voor een groep konijnen ligt het iets anders dan bij setjes van twee. Een groep is voor konijnen de natuurlijke samenlevingsvorm, die bestaat uit twee tot vijf voedsters en één tot drie rammelaars. Bij grotere aantallen konijnen zal de leefgemeenschap zich opsplitsen. Bij verhoudingsgewijs grotere aantallen mannetjes worden de jonge rammen verstoten.

 

 

 

 

 

 

Een konijnenheuvel is de ideale huisvesting voor een groepje langoren. De aanleg ervan kent wel flink wat valkuilen. Daarom hier een aantal handige tips & tricks.

Dat het graven van holen een wezenskenmerk is van het konijn is, blijkt al uit zijn wetenschappelijke naam: Oryctolagus cuniculus. Dat betekent: een haasachtige die ondergronds gangen graaft. Al sinds de 13e eeuw hebben mensen konijnen gehuisvest in konijnenheuvels, ook wel konijnenmotten of konijnenburchten genoemd. Eerst in kasteelwarandes, de wildparken van edelen, daarna vooral in duinwarandes, die werden verpacht. Nog weer later legden boeren weitjes met konijnenheuvels aan. Onze huidige hobbykonijnen leven meestal in hokken. Een kinderboerderij legt nog wel eens een heuvel aan, maar particulieren nauwelijks. En dat is jammer, want met een konijnenheuvel – zowel een kunstmatige als een natuurlijke – doe je konijnen een groot plezier. Het is bovendien beter voor hun gezondheid. Konijnen die altijd binnen zitten, kunnen lijden aan een tekort aan vitamine D. Problemen met het gebit, hart en immuunsysteem zijn het gevolg.

Hygiëne en gevaar
Nu hoor je vaak dat een konijnenheuvel slecht is schoon te maken. Dat klopt, maar dat geeft niet. Konijnen plassen liever in het zand dan op hun hokbodem. In of bij de heuvel kiezen de konijnen een vaste toiletplek. Na verloop van tijd wordt de wc dichtgegooid en een nieuwe in gebruik genomen. Regen en compostering doen de rest. Het nachthok moet natuurlijk af en toe wel worden verschoond, maar niet zo vaak als een ‘gewoon’ buitenhok.
Dan het schrikbeeld van zieke konijnen die zich ondergronds terugtrekken. De kans daarop is niet groot, want konijnen trekken juist uit hun (familie)holen als ze zich niet lekker voelen. Bij erg slecht weer, bij het nestelen en bij gevaar duiken de konijnen vaak wel een tijdje onder.
Gevaren zijn er op de konijnenheuvel natuurlijk meer dan in een hok met rennetje. De konijnen moeten daarom zowel onder- als bovengronds voldoende vluchtwegen en schuilplaatsen hebben om aan roofvogels, ratten, katten, vossen en andere roofdieren te kunnen ontsnappen. Ook voor schermutselingen tussen konijnen onderling is dat van belang.

Natuurlijke konijnenheuvel
Geen betere architecten dan de konijnen zelf. Geef de konijnen een flinke berg grond en ze zullen een uitgebreid en dynamisch gangen- en holenstelsel gaan graven.
Er zijn wel wat mitsen en maren. Zo hebben konijnen voor hun graafwerk zanderige, goed waterdoorlatende grond nodig. Met vette kleigrond kunnen ze slecht uit de voeten. Als de grondsoort niet geschikt is, meng dan bij met zand. Gewoon een paar kuub zand storten is geen goed idee: los zand kan niet worden aangestampt en stort direct weer in.
Een natuurlijke konijnenheuvel heeft ook een flinke doorsnee van minstens zeven of acht meter. Konijnen kunnen er zelf prima voor zorgen dat hun gangen niet inregenen. Is hun graafruimte echter te beperkt, dan lukt dat niet goed en kan de heuvel niet echt als woonruimte dienen. Bij een natuurlijke konijnenheuvel kun je het beste een hekwerk kiezen van ongeveer een meter hoog, want de dieren zullen ook in de buurt van het hek heuveltjes gaan opwerpen. Geef ook bij een natuurlijke konijnenheuvel de dieren altijd een goed en ruim hok.

Een ‘uitbraakproof’ konijnenverblijf
Een goede konijnenburcht op basis van buizen is één tot anderhalve meter hoog. Door de heuvel lopen gresbuizen (stenen rioolbuizen) of pvc-buizen van minstens 25 cm doorsnede. Plaats de buizen op verschillende hoogtes en laat minstens twee ervan op een nachthok uitkomen. Vanuit het nachthok bekeken moeten de buizen schuin aflopen, anders loopt er regenwater in. Pvc-buizen kun je met elkaar verbinden tot een mooi gangenstelsel via Y-koppelingen. Gebruik geen T-stukken, die hebben een te scherpe hoek.
In een heuvel met buizen zullen konijnen toch ook zelf gaan graven. Om graafprojecten te voorkomen kun je over de hele heuvel gaas leggen. Een mooie oplossing is een met graszoden bedekte heuvel waar overheen gaas gespannen wordt, vastgezet met tentharingen of grote krammen. Als het gras is aangeslagen, zal het gaas onzichtbaar zijn. Het gaas moet doorlopen tot aan de omheining en daaraan vastgemaakt worden. Zo wordt het hele konijnenverblijf graaf- en uitbraak-proof.

Plaats van het hok
Bij de konijnenheuvel met buizen wordt het nachthok iets ingegraven, bij voorkeur in het midden. Het blijft voor verzorgers goed toegankelijk, omdat de heuvel niet verandert. Het dak moet van bovenaf geopend kunnen worden.
Plaats het hok bij een natuurlijke konijnenheuvel niet in het midden maar juist dichtbij de omheining. Zo kun je er makkelijk bij, zonder per ongeluk gangen of holen in te trappen. Het hok kan daar echter ook een ontsnappingsroute worden. Het beste is daarom een hok dat net een stukje van de omheining af staat. Als je consequent voert in het hok, dan gaan konijnen niet permanent in hun holen wonen en keren ze steeds terug naar het hok. Daar kun je de konijnen checken, verzorgen en eventueel behandelen of ophokken bij ziekte.

Kou is geen probleem voor konijnen, vocht en hitte wel. Konijnen houden niet van regen en al helemaal niet van natte voeten. Dan worden ze vatbaarder voor ziektes. Een buitenhok moet daarom altijd een flink dakoverstek hebben, zodat de nattigheid buiten blijft. Met tocht en harde wind zijn konijnen ook niet blij. Het hok zou daarom enigszins beschut moeten staan. Het beste is een schaduwrijke plek, want konijnen verdragen alles beter dan hitte en felle zon. Zeker in de zomer moet een konijn uit de zon kunnen zitten. De open zijde van het hok is bij voorkeur op het oosten gericht. Dan komt alleen de minder brandende ochtendzon direct binnen.

Omheining
Bij een kunstmatige konijnenheuvel is een omheining van zo’n zeventig tot tachtig cm hoog gaas meestal wel voldoende. Als je niet een al te hoog hekwerk wilt, kun je ook een strook slap (kippen)gaas aan de bovenkant van het hek bevestigen en dat vervolgens een beetje naar binnenvouwen.
Bij een kleine konijnenheuvel kan het nodig zijn wat dieper in de grond (op zo’50 cm diepte) een laag gaas aan te brengen om ontsnappen te voorkomen. Daarvoor moet dus eerst een kuil worden gegraven. In die kuil leg je een laag gaas, grond eroverheen, en vervolgens bodemgaas en omheininggaas naadloos laten aansluiten. Bij een grotere konijnenheuvel is het diep (minstens 70 cm) ingraven van de omheining een logischer optie. Gaaspanelen van betongaas met kleine mazen zijn hiervoor heel handig. Maak de afzonderlijke delen aan elkaar vast of laat ze ondergronds een stukje overlappen.
Kies altijd voor een stevige gaasconstructie met een draaddikte van minimaal 1,4 mm. Kippengaas is niet geschikt voor konijnen; dat hebben ze binnen de kortste keren doorgeknaagd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De konijnenrassen worden doorgaans onderverdeeld in vijf categorieen: dwerg, klein, middelgroot, groot en rassen met een bijzondere haarstructuur. Wie op zoek is naar een konijn van een bepaald ras kan terecht bij een fokker die geregistreerd is bij Kleindierliefhebbers Nederland. Een fokker fokt vooral voor de sport/hobby en niet voor de verkoop, hoewel hij wel altijd een aantal dieren beschikbaar zal hebben. Informeer bij de fokker naar zijn fokplan. Heeft hij meerdere dieren om de juiste combinaties te kiezen en om een goede, gezonde stam op te bouwen of te behouden? Heeft hij niet teveel kleuren in huis omdat hij kleurzuiver wilt fokken? Ook zal het karakter van de dieren voor een fokker een belangrijke rol spelen. Op www.bunnybunch.nl staat waaraan een goede fokker is te herkennen.

Dwergrassen


Kleine rassen

  • Hollander
  • Tan


Middelgrote rassen


Grote rassen

Rassen met een bijzondere haarstructuur

  • Angora
  • Rex
  • Satijn
  • Voskonijn
  • Rexdwerg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er zijn verschillende signalen waarmee konijnen te kennen geven dat ze iets mankeren. Ze zullen niet gauw laten merken dat ze ziek zijn. Dus als je iets afwijkends aan ze ziet, dan kan er vaak al iets ernstigs aan de hand zijn en zal er snel een dierenarts geraadpleegd moeten worden.

De signalen zijn: 

  • stil in een hoekje zitten,
  • lusteloos, slap zijn,
  • de oren laten hangen of naar achter houden,
  • schudden met de kop,
  • de kop scheef houden,
  • zwaar ademhalen,
  • het hoofd achterover houden van benauwdheid,
  • omrollen,
  • slecht verzorgde vacht,
  • niet goed eten en/of drinken,
  • veel krabben aan één oor
  • mank lopen
  • tandenknarsen,
  • gebogen zitten,
  • niet willen bewegen,
  • hijgen,
  • trillen,
  • grommen of piepen.
     

Enkele bij konijnen voorkomende aandoeningen zijn

coccidiose
diarree
dikke buikenziekte
gebitsproblemen
epilepsie
haarballen
worminfecties
luizen en mijten
maden
myxomatose
schurft
schimmelinfecties.