Opdeboerderij

Appaloosa

 

 

Geschiedenis, uiterlijke kenmerken en eigenschappen: De Appaloosa is een Amerikaanse uitgave van het gevlekte paard en is in de Verenigde Staten een apart en erkend ras. Echter de geschiedenis van het gevlekte paard gaat veel verder terug. Zo heeft de Cro-Magnon mens al 20000 jaar geleden in grotten paarden met vlekkenpatroon afgebeeld. In heel Europa en Azië waren gevlekte paarden onder verschillende namen bekend en stonden dikwijls in hoog aanzien. In Denemarken had men de Knabstrupper en in Frankrijk werden zulke paarden Tigres genoemd. In England werden ze vroeger gefokt in een koninklijke stoeterij en werden toen Blagdon of Chubbarie genoemd. De Amerikaanse Appaloosa werd in de 19de eeuw gefokt door de Nez Percé indianen. Ze gebruikten als basis de Spaanse paarden die door de conquistadores waren geïmporteerd. De Nez Percé stam leefde in het noordoosten van Oregon. De voornaamste rivier was de Palouse. Appaloosa is een verbastering van die naam.In 1876 werden de stam en zijn paarden praktisch uitgeroeid toen de Amerikaanse troepen zich meester maakten van het land.
In 1938 kwam het ras weer tot leven toen in Moscow in Idaho de Appaloosa Horse Club werd opgericht. Zij gebruikte een paar nakomelingen van de oorspronkelijke Nez Percé paarden. De bedoeling was dat het ras voor uitsterven werd behoed. Nu staat de Appaloosa met meer dan 65000 registraties op de derde plaats in het stamboek van wereldrassen.

De Appaloosa is een apart en praktisch werkpaard dat zich kenmerkt door een duidelijk blijvend vlekkenpatroon, gevlekte monddelen, gevlekte geslachtsdelen en gestreepte hoeven. Voor informatie: Nederlands Appaloosa Stamboek, website:www.appaloosa.club.tip.nl of e-mail:lenie.boer.appaloosa.stb.secr@hi.nl

Belgisch trekpaard

 

 

Geschiedenis: De fokkerij van het echt Belgisch ras-trekpaard dateert uit het begin van de 17de eeuw. Er waren toen energieke en sterke paarden nodig voor de lange reizen met postkoetsen, er was meer en meer vraag naar een goed landbouwpaard. Dankzij enkele maatregelen van de overheid om de fokkerij te stimuleren, waren er in het begin van de 19de eeuw uitstekende paarden op de akkers te zien. De wereldoorlog was echter een zware beproeving voor de fokkers en vele kwaliteitsvolle trekpaarden verdwenen naar Duitsland. Na de bevrijding herstelde de fokkerij zich echter snel en tussen de beide wereldoorlogen werd het Belgisch Trekpaard als beste ras van de wereld beschouwd en behaalde het internationale successen in o.m. Parijs en Milaan. Door de motorisatie werd het trekpaard overtroffen door de machines, en vandaag zijn er nog slechts zo'n 6000 trekpaarden  in heel België. Gelukkig houdt de voorliefde en passie voor dit prachtige dier, de fokkerij draaiend.

Uiterlijke kenmerken en eigenschappen:  Het trekpaard wordt gekenmerkt door een sterk en grof geraamte, een zware en krachtige spierontwikkeling, een vrij grote gestalte en een rustig maar toch vinnig temperament. Het hoofd heeft een trouwe en elegante expressie, dit gaat over in een vrij zware en breed aangezette hals. Het trekpaard heeft een eerder korte, brede rug die overgaat in een zwaar gespierde lendenpartij. Het heeft stevig beenwerk dat zorgt voor vlotte gangen. Er zijn naast de drie basiskleuren -bruin, zwart en vos- ook vier schimmelkleuren - bruin-, blauw-, vos- en appelschimmel. Bruinschimmel is de meest voorkomende kleur, maar de laatste jaren is er steeds meer aandacht voor de andere kleuren. Voor informatie: Koninklijke Maatschappij Het Belgisch Trekpaard, website:

Fjordenpaard

 

 

Geschiedenis: Het Fjordenpaard ontleent zijn naam aan de diepe kustinhammen(Fjorden) in Noorwegen en wordt al honderden jaren in Noorwegen gefokt. In Noorwegen wordt hij gebruikt in de bosbouw en als lastdier. Tegenwoordig wordt het Fjordenpaard veel gebruikt in draverijen.   Sinds de jaren dertig heeft hij zich langzamerhand over Europa verspreid. In 1955 werd in Nederland de vereniging "Het Nederlandse Fjordenpaarden Stamboek" opgericht en sindsdien heeft het fokken van zuivere Fjordenpaarden in ons land een flinke opgang gemaakt.

Uiterlijke kenmerken en eigenschappen:  Fjordenpaarden zijn zeer mak, hebben een lief karakter en zijn zeer intelligent. Daarnaast zijn ze sterk en hebben een groot uithoudingsvermogen. Het zijn kleine paarden met een stokmaat van 142 cm. Het meest opvallende aan een Fjordenpaard is zijn geel-achtige kleur(Isabel kleur) en zijn rechtopstaande manen. De manen staan rechtop omdat ze stug zijn en in een boog worden geknipt. Het Fjordenpaard kan gemakkelijk 20 jaar of ouder worden.                   

Voor informatie: Het Nederlandse Fjordenpaarden Stamboek, website: www.fjordstudbook.com of e-mailpost@fjordstudbook.com    

IJslander

 

Geschiedenis: Rond het jaar 800 brachten de Vikingen Europese paarden naar IJsland. Ruim honderd jaar later gingen de IJslandse grenzen nagenoeg op slot voor paarden. Sinds die tijd zijn er nauwelijks nieuwe paarden naar IJsland gekomen. Daardoor lijkt de huidige IJslander nog heel sterk op het Europese oerpaard.
Door de barre omstandigheden op IJsland - vulkaanuitbarstingen, extreme koude, hongersnoden - overleefden alleen de sterkste paarden. En dat zien we nu nog terug in de hardheid en gezondheid van de IJslander. Door de bijzondere omstandigheden op IJsland ontwikkelde de paardjes een opmerkelijk oriëntatievermogen, een grote zelfstandigheid en intelligentie, en veel koelbloedigheid. Paniekerige paarden, die er blind vandoor gaan, overleven immers niet in een landschap met ravijnen.
Koelbloedig wordt wel geassocieerd met sloom of lethargisch, maar dat geldt zeker niet voor IJslanders. Ze zijn vaak juist voorwaarts en sensibel. In combinatie met de wat complexe gangen zijn IJslanders zeker geen uitsproken kinderpony's - hoewel een groeiende groep kinderen onder begeleiding van volwassenen met veel plezier op IJslanders rijdt.

Rasomschrijving: IJslanders zijn robuuste kleine paarden. De voorkeursstokmaat is 135 tot 145 cm. Het officiële fokdoel is een lichter gebouwd, atletisch IJslandse paard met een sterk en soepel lichaam. Men ziet graag een goed opgerichte, hoog aangezette, lange en slanke hals, een duidelijk gemarkeerde halsaanzet en lange, schuine schouders. Het kruis is lang en goed aflopend.
IJslanders hebben over het algemeen sterke benen. De achterbenen mogen iets koehakkig zijn en men ziet graag voldoende ruimte tussen de voorbenen en tussen de achterbenen.
Opvallend zijn de lange en dikke staart en manen en de vele kleuren van de vacht.
De IJslander is een gangenpaard: naast stap, draf en galop kan een IJslander tölten en soms ook (ren)telgangen. Het streven is een paard dat met veel actie en grote passen tölt, taktzuiver en op alle tempi. In de telgang moet een duidelijk zweefmoment zichtbaar zijn. Een goede telgang wordt op hoge snelheid gereden.  Voor info
rmatie: www.ijslanders.info. Stamboekinformatie: www.nsijp.nl

Shetland pony

 

Geschiedenis: De Shetland pony is een van de oudste paardenrassen en afkomstig van de gelijk- namige eilanden die ten noordoosten van Schotland zijn gelegen. De Shetland pony is al honderd jaar in Nederland aanwezig en is zeer populair. Oorspronkelijk werd hij in Nederland geïntroduceerd als de vervanger van de trekhond. In 1937 is het Nederlands Shetland Pony Stamboek opgericht en is daarmee het oudste pony stamboek van Nederland.

Uiterlijke kenmerken en eigenschappen: De Shetland pony behoort tot de kleinste paardenrassen, de maximum stokmaat is 1.07m. Mede door de kleine stokmaat wordt hij graag door kinderen bereden. De Shetlander is een taai, sober en sterk ras. Om zich ’s winters goed tegen de kou te kunnen beschermen krijgt hij een dikke vacht. Ook de staart en manen zijn om deze reden weelderig. Door deze beharing kan de pony in principe het hele jaar buiten worden gehouden.  Voor al te barre weersomstandigheden is enige beschutting wenselijk.

Voor informatie: Nederlands Shetland Pony Stamboek

website: www.shetlandponystamboek.nl

e-mail: info@shetlandponystamboek.nl  

Tinker

 

Geschiedenis: In tegenstelling tot de meeste andere paardenrassen, is de Tinker vernoemd naar het gebied van oorsprong, maar naar de bevolkingsgroep die ze het eerst gebruikte.
Het woord Tinker was en is in Ierland en Engeland een scheldnaam voor ketellappers. Het Ketellappersvolk was vroeger een rondzwervend volk dat zich bezig hield met het repareren van ketels en zo ontstond de naam van de paardjes die de ketelappers voor hun wagens en huifkarren spanden.
Van de afkomst van de Tinker is niet zoveel bekend, omdat de zigeuners wel eens hengsten bij wildvreemde uit het land haalde om hun merries te laten dekken.
In Nederland is het eerste stamboek in 2000 opgericht: Het Nederlands Stamboek Voor Tinkers.
Uiterlijke kenmerken en eigenschappen: In het verleden zijn er heel veel verschillende bloedlijnen gebruikt om de Tinker te laten worden tot wat hij nu is. De meest voorkomende zijn: Shire, Dales, Fell en Clydesdale. De Tinker is vaak tweekleurig: zwartbont, vosbont, schimmelbont, blauwbont of bruinbont. Er bestaan ook driekleurige Tinkers.
Omdat er zoveel verscheidenheid is onder de tinkers zijn ze onderverdeeld in de volgende vier types.
Romany Vanner,Romany Cob, Romany Grai, Romany Scudder.

De Tinker is een gevoelig paardje, rustig in de hand, gecombineerd met zijn grote lichaamskracht en terreinzekerheid, maken hem een ideale trekpony.
Hij munt uit door de hardheid van zijn hoeven, vaak zijn bij recreatief gebruik, onder het zadel, hoefijzers niet eens noodzakelijk. Voor informatie: Het Nederlands Stamboek voor Tinkers, website: www.tinkerstamboek.nl
 e-mail:info@tinkerstamboek.nl

 

Nederlanders zijn gek op paarden en pony's. Ons land is het dichtstbevolkte paardenland van de wereld. Er wordt zelfs gesproken over de 'verpaarding' van het boerenlandschap. Naar schatting hebben we zo'n 500.000 recreatie- en sportpaarden rondlopen.
Die populariteit van paarden en pony's is niet zo vreemd. Het zijn echte mensenvrienden die zeer 'willing to please' zijn. Dat maakt ze geschikt voor allerlei doelen, van gezelschapsdier tot natuurgrazer en van trekdier tot topsportpaard.

Bij het houden van paarden en pony's komt echter heel wat kijken. Paarden hebben een paardenwei en een (schuil)stal nodig, en een menu dat op het ras en het te verrichten werk is afgestemd. De verzorging kost tijd en geld, en u moet alert zijn op gezondheidsproblemen. De dieren hebben bovendien het gezelschap van soortgenoten nodig om zich te kunnen uitleven in soorteigen groepsgedrag. En net als voor eigenaren van andere landbouwhuisdieren gelden ook voor paardenhouders allerlei wetten en regels.

Het Landelijk Kennisnetwerk Levende Have wil kleinschalige paardenhouders en hobbyisten die overwegen paarden te gaan houden praktische informatie geven op allerlei gebied. Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste thema's. Via doorklikken kunt u steeds verder navigeren in het kennisnetwerk. Onderaan de afzonderlijke wiki's kunt u altijd weer terugkeren naar eerder bezochte wiki's.

paarden rennen graag door het water als warm is

 

 
Arabier (volbloed)
 
Anglo-Arabier (volbloed)
 
Ardenner (koudbloed)

 

 
Belgisch trekpaard (koudbloed)
 
Brumbies (verwilderde paarden in Australië)

 

 

 
Dartmoormerrie en -veulen

 

 

 

 

 

 
IJslander (gangenpaard)
 
Kladruber (koetspaard)
 
Konik (oertype)

 

 

Kabardin

 

Lipizzaners; merrie met veulen

 

 
Mangalarga marchador (Brazilië)

 

New Forest (pony)

 

 
Oost-Fries (landbouwpaard, koetspaard)
 
Percheron (trekpaard)
 
Przewalskipaard, (wildpaard)

 

 

 

 

Selle Français (modern rijpaard)
 
Shetlander (pony)

 

Tinker, merrie met veulen

 

 
Engelse volbloed
 
Westfaal (warmbloed; modern sportpaard)

 

de manege 

paardrijles

Sanne zit op paardrijles.

Ze gaat een keer per week

naar de manege (zeg: ma-nee zje).

Eerst reed ze in een gewone broek en gympen (zeg:gimpen).

Maar nu heeft ze een rijbroek en rijlaarzen.

Ze heeft ook een cap (zeg:kep) op.

Daar zit een helm in .

Dat is voor als je valt.

 

 

 

 

 

 

 

 

De manege

Op de manege

krijg je les in de rijbaan.

Die noemen ze ook wel e bak.

Op de bodem van de bak ligt zand.

Elk jaar moet er schoon zand in.

Er is een binnenbak en een buitenbak.

 

Verder zijn er stallen voor de paarden.

En er is een zadelkamer 

voor de zadels van paarden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Werken op de mange

Op de mange werken stal-m.edwerkens.

Ze vergeten de stalen versorgen paarden.buiten

Ze maken zaddels schoon en ruimen op.

Als je op les bent , mag je meehelpen.

 

 

Je krijgt les van een instructeur.

Die legt ook uit hoe je 

met een paard moet omgaan.

Bijvoorbeeld dat je paard

nooit van achteren mag naderen.                                                                                        Bij je eerste les     loopt het paard   aan de  

                                                                                                                                                    longe (zeg:lonzje)

Het paard ziet je dan niet.                                                                                                      

Het kan schrikken en  trappen.

 

 

 

 

 

de stallen 

Die stal van een paard heet een box (zeg:boks).

Vaak heeft de bok een lage deur.

Dan kan het paard naar buiten kijken.

Op de bodem van de box ligt stro.

Dat is lekker warm voor het paard.

Bij het schoonmaken schepje

stro en poep uit de box.

Dan doe er weer nieuw stro in.

 

 

 

 

 

 

 

 

paarden verzorgen

Een paard wordt vuil.

Daarom moet je het borstel.

Je neemt eerst een rosborstel.

Daarmee draai je  stevig rondjes.

Zo maak je het vuil los.

Dan neem je een zachte borstel.

Je borstelt met lange streken.

Zo veeg je stof en losse haren weg.

Als je het zo doet,

vindt het paard het fijn.